Bioboeren doen meer met minder

10 mei 2017

Minister Joke Schauvliege doet enkele opvallende uitspraken over biologische landbouwbedrijven in Knack die de toets aan de realiteit niet doorstaan. Praktijk en studie bewijzen immers dat biobedrijven veerkrachtig en duurzaam zijn. En dat hebben ze niet te danken aan een overvloed aan subsidies.

Uit het gesprek met het weekblad Knack wordt duidelijk dat onze minister van Landbouw Joke Schauvliege er geen graten in ziet dat familiale landbouwbedrijven verdwijnen. Tussen de lijnen pleit ze voor een landbouwsector die bestaat uit zeer grote, gespecialiseerde productie-entiteiten die grondstoffen leveren voor de voedingsindustrie en weinig mensen tewerkstellen. Moet een minister van Landbouw dan geen minister zijn van alle landbouwbedrijven, groot en klein?

BioForum Vlaanderen ziet dat toch anders. Zowel in eigen land als in onze buurlanden delen de gangbare boeren flink in de klappen. Het beleid dat boeren jarenlang gestimuleerd heeft om te specialiseren en te groeien, blijkt niet te werken. Hoeveel landbouwers met een groot bedrijf en een grote berg schulden staan vandaag aan de rand van de afgrond?

Uit zowel praktijk als onderzoek blijkt dat landbouwbedrijven op mensenmaat, gefinancierd door de eigen familiale middelen en met een gediversifieerd aanbod, garant staan voor het meest duurzame landbouwmodel. Veel biologische en agro-ecologische bedrijven bewijzen dag na dag dat de sleutel voor een rendabel bedrijf niet zit in het opdrijven van de productie en het verhogen van de investeringen, maar in het leveren van een divers aanbod kwaliteitsproducten. Veerkracht is wat we nodig hebben in de bedrijven. Een bedrijf dat aan handen en voeten gebonden is door verregaande specialisatie en aflossingstabellen, mist net die veerkracht om in te spelen op de kansen en noden van de maatschappij.

BioForum pleit bewust voor meer boeren in plaats van minder, voor meer tewerkstelling in de landbouw in plaats van minder, voor correcte prijzen voor landbouwproducten zonder dat de consument daarvoor gepluimd moet worden. Dat het kan, bewijst bio elke dag.

Toch willen we ook de uitspraken van Schauvliege niet uit de weg gaan. Niets is wat het lijkt.

OMZET IS NIET GELIJK AAN INKOMEN
Schauvliege stelt dat kleine boeren onvoldoende inkomen genereren en suggereert dat het inkomen van de boer recht evenredig omhoog gaat met de grootte van het bedrijf.

Deze gesuggereerde relatie tussen inkomen en omzet klopt niet. Dat bevestigen zowel onderzoekers als boeren zelf. Kleine landbouwbedrijven zijn perfect in staat om een goed inkomen te realiseren. Net zoals in de gangbare sector hangt veel af van de deelsector (groente? fruit? melk? vlees?) waarin de boer actief is, van zijn investeringen, zijn afzetkanalen en zijn management. Schauvliege slaat de nagel op de kop door goed management te beklemtonen. De omvang van een landbouwbedrijf heeft daar echter niets mee te maken. Lees in dat verband ook dit interview met onderzoeker Jan Douwe Van Der Ploeg. 

BIO VERGT GEEN 60% VAN HET BUDGET
Schauvliege beweert dat wie biologisch eet, 60% van zijn inkomen aan voeding moet besteden in plaats van 20%.

Volgens de officiële Vlaamse statistieken besteden Vlaamse huishoudens vandaag zo’n 13% van hun budget aan voeding. Biologische voeding is voor de consument bij aankoop weliswaar vaak iets duurder, maar zeker niet drie keer zo duur als niet-biologisch. En dan hebben we het nog niet over de verborgen kosten van gangbare landbouw, die op een andere manier aan de consument wordt doorgerekend.

BIO IS NIET DE GROTE SLOKOP VAN SUBSIDIES
Schauvliege suggereert dat biologische boeren veel meer gesubsidieerd worden dan gangbare en stelt dat gangbare boeren enkel subsidies ontvangen voor extra diensten aan de maatschappij, zoals dierenrechten en milieu.
In de realiteit zit het huidige subsidiesysteem zo in elkaar dat gangbare boeren wel degelijk steun ontvangen zonder extra diensten te moeten leveren. Dat terwijl biologische boeren op verschillende steunmaatregelen die voor gangbare boeren wel toegankelijk zijn geen aanspraak kunnen maken.Een aantal voorbeelden: 

  • Alle boeren, gangbaar en biologisch, ontvangen steun uit de zogenaamde pijler 1 en die steun is gerelateerd aan de grootte van het bedrijf. Een groot bedrijf ontvangt meer steun, een klein bedrijf minder. Minder steun dus voor de vaak kleinere biobedrijven. 
  • De pijler 1-steun is deels ook gestoeld op rechten uit het verleden. De biosector kent een toestroom van mensen zonder landbouwachtergrond: zij kunnen niet rekenen op opgebouwde rechten, of ze moeten al rechten gaan overkopen
  • Onder pijler 1 valt bijvoorbeeld ook de zoogkoeienpremie waar haast exclusief gangbare boeren van genieten. Deze steun is immers gekoppeld aan een minimum aantal dieren. Een minimum dat nagenoeg geen enkele bioboer haalt omdat die extensiever werkt en vaak een gemengde bedrijf heeft waar akker- of tuinbouw de veehouderij aanvult. Meer voor gangbaar dus.
  • Alle boeren, gangbaar en biologisch, kunnen extra steun ontvangen uit de zogenaamde pijler 2. Deze steun is inderdaad gerelateerd aan extra diensten aan de maatschappij. Biologisch werken levert extra steun op, maar verschillende milieumaatregelen die gangbare boeren toepassen ook. Maar ook hier vaak vallen bioboeren soms uit de boot. 
  • Alle boeren, gangbaar en biologisch, kunnen voor investeringen een beroep doen op VLIF-steun. Wie slim investeert in tweedehandsmateriaal of relatief kleinschalig werkt, kan geen aanspraak maken op deze VLIF-steun die grote bedrijven bevoordeelt. In de praktijk gaan grote sommen naar zeer grote bedrijven, zoals gangbare varkensstallen. Opnieuw levert dat in praktijk meer steun op voor gangbare boeren.

Anders gesteld, het is een fabeltje dat bioboeren meer gesubsidieerd zouden worden. Maar dat houdt ons niet tegen om het landbouwmodel dat we voor ogen hebben, dagelijks in de praktijk om te zetten.