Naar een grondgebonden veehouderij

2 juni 2017

Op de vooravond van de biocampagne rond vlees pleit BioForum Vlaanderen voor een grondgebonden veehouderij.

VEEHOUDERIJ IN MOEILIJKHEDEN 
De veehouderij heeft het niet alleen economisch moeilijk in Vlaanderen, ook de milieuimpact ervan blijft problematisch. De huidige evolutie naar een meer grootschalige, intensieve veehouderij zorgt voor tal van problemen, ten koste van boer en leefmilieu.

Ook de druk op dierenwelzijn neemt toe door deze schaalvergroting. Die nadelige effecten stoppen trouwens niet aan de grenzen, maar hebben ook een grote invloed in overzeese gebieden. Dat komt onder meer door de import van soja als veevoer. Het beleid steunt te weinig veehouders die voor een andere aanpak kiezen.

Omdat er te weinig grond is in Vlaanderen voor het aantal dieren dat gehouden wordt, kennen we een aanhoudend mestprobleem. Het teveel aan mest heeft negatieve gevolgen voor onze bodems, lucht en waterlopen. Het beleid legt te veel de nadruk op end-of-the-pipe-oplossingen zoals mestverwerking, maar verplaatst zo alleen maar het probleem. Soms zelfs letterlijk, want ‘verwerking’ betekent in de praktijk grotendeels afvoer naar buitenland of niet-landbouwgronden.

De veeboer zit intussen geprangd tussen aflossingstabellen, kleine marges en dus noodzakelijke groei, milieukritiek en lange werkweken, zonder evenwel zeker te zijn van een inkomen.

EEN ANDERE MANIER VAN DIEREN HOUDEN: MINDER EN BETER
Door al die problemen roepen steeds meer stemmen op om gewoon helemaal geen vlees meer te produceren of te eten.

Hoewel BioForum Vlaanderen ermee akkoord gaat dat onze hoge vleesproductie en –consumptie onze maatschappij danig parten speelt, willen we het kind ook niet met het badwater weggooien. Het debat over vlees wordt in onze ogen te eng gevoerd. Een duurzaam landbouwmodel heeft immers dieren nodig. Daarom pleiten we voor een andere manier van dieren houden: minder maar beter.

Een duurzaam landbouwmodel heeft dieren nodig. 

Een beperkte veestapel past bij een duurzame landbouw
Van nature eet een koe geen maïs of soja, maar gras. De mest van de koe maakt het grasland en de akkers vruchtbaar. Het bodemleven verwerkt de mest, waarna het gras en de gewassen de voedingsstoffen opnemen. Zo worden kringlopen gesloten.

Mest is dus niet alleen een afvalproduct, het bevat onmisbare mineralen voor een vruchtbare bodem en sterke gewassen. Bemesting kan ook via de productie van bijvoorbeeld maaimeststoffen of groenbedekkers, maar de boer creëert meerwaarde door die eerst door de maag van een koe te laten passeren. Zo krijgt hij niet alleen optimale mest maar ook een extra te valoriseren product zoals vlees of melk. Varkens en kippen zetten dan weer makkelijk reststromen van akkerbouw- en voedselverwerkende bedrijven om in vlees.

Bovendien kunnen koeien en schapen ingezet worden op gronden die niet geschikt zijn om gewassen op te telen maar wel als graasgronden. Ook bij ons zijn er heel wat van die gronden, zoals valleigebieden en natuurreservaten. Zo creëren de dieren opnieuw meerwaarde voor de boer (vlees of melk) én verhogen ze de biodiversiteit. Begrazing behoort niet voor niets vaak tot het beheerplan van een natuurgebied.

Wanneer we de keuze voor een specifieke landbouwproductie (akkerbouw, tuinbouw of veehouderij) mede laten bepalen door de kwaliteit van de grond, bereiken we een duurzamer landbouwmodel. En de consument wordt uitgenodigd om te eten conform het landschap waarin hij leeft.

Duurzame veeteelt vergt grond
Er is dus wel degelijk een rol weggelegd voor de veeteelt, maar dan moet die wel grondgebonden zijn, met respect voor het milieu en de eigenheid van de dieren. In een agro-ecologische landbouw spelen dieren een essentiële rol in de kringloop. Men streeft er naar een optimale, en geen maximale, veebezetting.

De biosector vertaalt dat door de absolute draagkracht van het milieu centraal te stellen. Dat betekent dat het aantal dieren per hectare in bio wettelijk beperkt wordt. Er mogen niet meer dieren gehouden worden per ha beschikbare grond dan het aantal dat overeenkomt met een mestuitscheiding van max. 170 kg N/ha.

We moeten streven naar een optimale veebezetting, geen maximale. 

Bij voorkeur wordt de mest gebruikt als bemesting op de eigen biologische akkers, of anders op de akkers van een collega-bioteler. Ook de teelt van regionale voeders wordt gestimuleerd, waardoor de kringloop steeds beter gesloten wordt.

Een logisch gevolg is dat er per dier en per kilogram eindproduct meer grond beschikbaar moet zijn. Zo blijft de veehouderij effectief duurzaam. Niet het aantal kilo’s per hectare of de impact per kilo product zijn dus van tel, wel de reële impact per hectare.

Meer grond per dier en per kilo eindproduct vertaalt zich in een aangepaste, meer bescheiden consumptie van dierlijke producten. Alleen dan kunnen we binnen de draagkracht van het leefmilieu en het dier blijven.

Grondgebonden maakt diervriendelijk eenvoudiger
Minder dieren, meer ruimte: het grondgebonden principe leidt naar een veeteelt die ook beter scoort voor diervriendelijkheid.

In de biologische veehouderij gelden voor alle diersoorten dezelfde principes: de dieren moeten naar buiten kunnen, moeten biologisch voer krijgen en mogen niet preventief met antibiotica behandeld worden. Er gelden minimumnormen voor de stalruimte. Bovendien moet die zo ingericht zijn dat ze tegemoetkomt aan de natuurlijke behoeftes van de dieren. Deze principes staan garant voor een meer diervriendelijke aanpak, maar vergen wel ruimte.

Transitie naar andere veehouderij
Een andere, grondgebonden veehouderij heeft tal van troeven voor boer, milieu, dier én consument. Het vergt evenwel een transitie die tijd zal vragen en die met de nodige zorg moet voorbereid en begeleid worden. Nu steeds meer consumenten vragen stellen over onze voedselproductie, lijkt de tijd rijp om een dergelijke transitie in gang te zetten.

Foto's: Patricia De Laet, Sophie Nuytten, Kjell Gryspeert